‘Ik wist niet dat jij kon huilen,’ zegt Frits tegen Katja.
Katja pinkt een traan weg.
‘Nee, dat wist ik ook niet. Blijkbaar heb ik wel een hart.’
Frits slaat een arm om haar heen.
‘Ben je uit huis gezet?’
Katja schudt droevig haar hoofd.
‘Mijn denkbeeldige huisdier is dood.’
‘Bedoel je die grote? Klaas?’
Katja knikt en een nieuwe stortvloed aan tranen volgt.
Frits geeft een aai over haar bochel.
‘Ik h-heb,’ stottert ze. ‘Ik heb per ongeluk een tennisbal in zijn keel geduwd. Daarna ging hij spartelen. Ik dacht dat het een spelletje was en toen ben ik maar op hem gaan zitten.
En nu is-is hij..’ maar Katja houdt het niet meer. Grote tranen rollen over haar wangen.
Ze verbergt haar hoofd in haar schoot.
‘Ach, je ouders kopen wel weer een nieuwe. Waar is Klaas nu?’
Katja wijst naar de stoep.
‘Gatver wat een smerig beest. Laten we hem snel in de container gooien.’
Katja springt geëmotioneerd op.
‘Nee, hij wilde gecremeerd worden. Dat was zijn laatste wens.’
Katja pakt een flinke fles uit haar rugzak.
‘Hier, ik heb nog benzine van gisteren over.’
Ze geeft de fles aan Frits die de benzine over Klaas gooit. Daarna pakt ze haar aansteker en steekt ze zorgvuldig de staart van Klaas in brand.
Zwijgzaam kijken ze naar het brandende kadaver.
Katja snikt nog wat na.
‘Hij was mijn enige vriend.’
Frits geeft nog een aai over haar bochel.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten