Frits ligt als verlamd op de tennistafel.
Af en toe hapt hij naar adem.
Katja kijkt hem boos aan.
‘Wat doe je debiel.’
‘Ja, ik weet het,’ brengt Frits moeizaam uit.
‘Mijn armen doen het niet meer. Ik kan amper ademen. Ik hoor alleen mijn hart nog kloppen.’
‘Zal ik je een schop geven. Misschien dat het helpt.’
Frits knikt.
Katja neemt een sprong en prikt haar naaldhakje in de buik van Frits. Bloed kleurt zijn vestje rood, maar hij geeft geen krimp.
‘En?’ Vraagt Katja hoopvol.
‘Nee niks.’
‘Wat een verspilde moeite,’ moppert Katja.
Frits staart naar de wolken en zucht.
Een minuut later zucht hij nog een keer.
‘Ga je dood ofzo?’
‘Zoiets.’
Frits hapt krampachtig naar lucht terwijl kwijl langs zijn wang op de tennistafel drupt.
‘Ik ben verliefd.’
Katja grijpt naar haar buik en geeft over.
‘Bah, dat had je wel even eerder mogen zeggen,’ roept Katja boos.
Ze loopt weg zonder om te kijken en benoemt alle ziektes die ze heeft.
Frits hoort niks.
Hij hoort slechts zijn hart kloppen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten