Katja en Frits staren uit het raam. De regen klettert tegen de ruiten.
‘Ken je dat nieuwe meisje in de straat?’ vraagt Frits.
‘Die met die gouden tand?’
Frits knikt. ‘Zij is wèl leuk om mee te spelen.’
Katja krabt zwijgend aan haar bochel.
Frits kijkt haar strak aan.
‘Ik wil niet meer met je spelen. Ik walg van je.’
Katja wil hem slaan maar zegt per ongeluk iets.
‘Ben ik te lelijk? Ben ik te dom voor je?’
‘Meer dan dat,’ roept Frits.
‘Je bent overbodig. Niemand wilt je.’
Katja loopt rood aan. Frits gaat verder.
‘Ik had laatst God aan de telefoon en toevallig hadden we het over jou.
Later op de bank naast Hitler zei hij.’
Frits tuft voor de voeten van Katja en draait zich om.
Zonder haar nog één blik te gunnen loopt hij de kamer uit.
Katja laat een traan over haar vettige huid rollen.
Niet veel later gaat de telefoon.
‘Leuk hè, ruzietje spelen,’ giechelt Frits.
‘Ja, voor herhaling vatbaar,’ zegt Katja.
Zo probeert haar tranen te bedwingen.
‘Morgen weer?’ vraagt Frits.
Katja doet het raam open. De regen klettert tegen haar gezicht.
Ze kijkt negen verdiepingen naar beneden.
‘Morgen weer?’ herhaalt Frits.
Maar Katja geeft geen antwoord.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten