woensdag 8 september 2010

Scheethond

‘Wij hebben een scheethond,’ roept Katja tegen de nieuwe buurjongen.
‘Nou en?’ roept de jongen terug en hij schopt tegen een blikje.
‘Ik haat honden.’
Katja kijkt de jongen boos aan.
‘Ik heb een scheetvader,’ gaat hij verder.
‘Dat is veel bijzonderder.’
‘Iedereen heeft een scheetvader. Daar is niks bijzonders aan.’
Katja loopt naar het blikje toe en schopt het naar de overkant van de straat.
De jongen kijkt ongeïnteresseerd naar de overkant.
‘Moet je niet tegen het blikje schoppen?’ roept Katja boos.
‘Moet jij je scheethond niet uitlaten?’
‘Nee, want dat kan de buurt niet aan.’
‘Misschien moet jij dan ook maar naar binnen.’
De jongen loopt naar de overkant van de straat en schopt tegen het blikje.
Katja roept hem na. ‘Je stinkt.’
‘Ga lekker je hond wassen,’ schreeuwt hij van de overkant.
‘Dat kan niet want die is dood,’ gilt ze terug.
In de verte roept de moeder van Katja.
‘Bah, ik moet eten,’ zegt ze met een vies gezicht.
‘Dus jij heet Katja?’
Katja zet haar armen in haar zij. ‘Ja, hoezo?’
‘Nou gewoon. Ik heb ook een stomme naam. Ik heet Frits.’
Vanaf dat moment zijn ze vrienden.



Geen opmerkingen:

Een reactie posten